Verdrag der XVIII artikelen

Het Verdrag der XVIII artikelen is de overeenkomst die aan de Belgische revolutionairen van 1830 door de grote Europese mogendheden werd opgelegd als basis voor de boedelscheiding tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden.

Na de revolutie

Vanaf begin oktober 1830 was de volledige scheiding binnen het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden een feit. Het Voorlopig Bewind trad op als regering en een Nationaal Congres werd verkozen als wetgevend lichaam, met als eerste opdrachten een Grondwet op te stellen en een staatshoofd te kiezen. De provincies werden geleid door nieuwe gouverneurs, benoemd door het Voorlopig Bewind en de gemeentebesturen door burgemeesters en schepenen die uit nieuwe verkiezingen voortsproten. Een begin van eigen leger werd op de been gebracht. De Nederlandse minister Van Maanen stelde al op 8 oktober vast dat geene wettige magt of ambtenaren, ten gevolge der Grondwet of van des Konings grondwettelijk gedane benoemingen aldaar voor den opstand gevestigd, zijn in de provinciën nog aanwezig of in betrekking tot de wettige regering.

Toen aldus de scheiding een feit was geworden, kwamen de vertegenwoordigers van de Europese mogendheden (Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Pruisen, Oostenrijk en Rusland) samen om te beslissen of ze met de gang van zaken akkoord gingen of zo niet gewapenderhand het koninkrijk, door hen in 1814-1815 tijdens het Congres van Wenen bedacht, zouden herstellen.

De Belgische delegatie die in Londen ging onderhandelen, bepleitte de goedkeuring van de opstand en van de onafhankelijkheid van het land en slaagde erin dit te doen aanvaarden. Niet zonder voorwaarden echter, die werden vastgelegd in een protocol op 20 januari 1831, dat de naam kreeg 'Grondslagen der scheiding'.

De inhoud ervan kwam er hoofdzakelijk op neer dat de Belgische staat werd erkend binnen de grenzen die de provincies in 1790 hadden. Dit was een, wat betreft territoriumafbakening, gunstig compromis voor het nieuwe België. Een aantal enclaves die pas later tot de Bataafse republiek waren gaan behoren, kwamen bij België. Dit waren Venlo, Stevensweert, Maastricht en de 53 dorpen van de Generaliteit aan beide oevers van de Maas.